Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G. A. BREDERODE, TOT DEN LESER

Is 't dal gij iet merkt, leest, of siet, Dat kwaat is, schuwt dat, doet 't niet. Ik heb 't met lust tot leer gedaan, En niet om dien weg in te slaan. 5 Maar vindy wat, dat u wanhaagt, 't Sij iu tot les, gij Knaap of Maagt Men weet soo noodig het fenijn, Als dingen, die daar goet voor zijn. Een kind, onwetend van verstand,

10 Dat loopt in t' vuir, al waar 't hem brandt; Dan iemant, die wel beter weet, Die denkt: dat vuir is mijn te heet; Hij tast't met iet anders an En trekt er nut en warmte van.

15 Soo bid ik, dat gij dit ook trekt, Op dat't u wat goets verstrekt. Het oordeel (dunkt mijn) is verkeert, 't Welk seit, dat men de sonde leert, Als men se eigentlijk verklaart

20 En al de werelt openbaart.

Ik neem, een Preker op de stoel, Als die ontdekt een vreemt gevoel Van een eerloosen snoo Sophist, Of een godloozen Atheist,

25 Sou die daaromme boosheit doen? Of argeren in 't minst de goên?

3 Leer: leering.

7 Men Weet soo noodig: het is even noodzakelijk te kennen, 11 Dan: maai. 26 Argeren: slechter maken.

Sluiten