Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat sluit niet Sou de Magistraat, De Overhelt, de wij se Raat, De boosheit leeren ieder voort, 30 Als sij bestraffen Princen moort Of vrouwe-kracht of dieverij, Straat-schenden of brandstichterij ? Dat komt met mij niet over een. Soo weinig als in lijf en le'en 35 De suoht of siekten overspruit,

Wanneer s' een Doctoor ons beduit, So luttel, of noch mooglijk min, Dringt immer 't kwaat ter zielen in; Want in een godlijk goet gemoed 40 En komt ook niet dan alles goed. De dingen dan, groot ofte klein, Den reinen zijn sij alle rein, Den kwaden dijt alles tot kwaat, Om dies-wil dat het met hem gaat, 45 Gelijk als met de vuile spin,

Die 't goetste neemt ten kwaatsten in, Die 't honing in fenijn verkeert, Als 't in zijn binnenst is verteert. Soo doen veel menschen hier te land: 50 Sij spreken van een ander schand, Of lof en eer na haat of gunst, Maar niet na kennis van de kunst In sulk'n brein wert nu gemaalt De roem of laster, die men haalt. 55 De gene, die ik heb geraakt Onwetens, hebben mij gelaakt. Ik geeft haar toe. En voor de smaat

31 Vrouwe-kracht: verkrachting.

33 Dat komt met mij niet over een: daar kan ik me niet mee vereenigen.

35 Suchl: kwaal. — O Oer spruit: overslaat. 51 Na: geleid door.

57 Ik geef 't haar toe: ik vergeef het hun.

Sluiten