Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE DEEL

Ierolimo R o d r i g o:

't Is wel een schoone stad, moor 't volksken is te

vies:

In Brabant sain de liens gemainlijk exkies In kleeding en in dracht, dus, op de Spaansche mode, Als kleine koninkskens of sienelaike Goden. 5 O kaiserlaike stad! Hantwerpen, groot en raik, Ik geloof nau, dat de son beschaint uwes gelaik In abondancie van sleik, in schoonheit van landouwen, In karken triumphant, in devote kloosters en modeste

gebouwen,

lm muragie ma sief, vol alles, van rekreatie geboomt, 10 In kaien en in faoien, woör langskens dat hem stroomt De large revier, het water van den Schelde En supporteert tot over Meir. Datte kik ou eenskens

vertelde

Main avontuurkens met de dochterkens in de baar, Betteken en Maiken, en met haar nicht schoon Klaar, 15 Die over straat trip trap en met sulk 'n getepel gaat,

1 Vies: zonderling, raar.

2 Exkies: keurig.

4 Sienelaik: zichtbaar.

7 Abondancie van slijk: overvloed van vette klei. 9 Muragie masief: «oliede bouwwerken. 10 Kaien en hoten: kaden en hoofden.

12 Supporteert tot voer Meir: zich voortspoedt tot ver in zee. — Datte kik ou eenskens: als ik u eens.

13 In de baar: in „Den Beer". 15 Getepel: getippel en gedraai.

Sluiten