Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar nou sij mij gesont sien en mijn genesing vermerken,

50 Nou is 't: God help je, jij luie bedelaar, gaat •werken, Jij bint jong en wel te pas; hij doet sond, die jou

wat deelt,

Vermits syn malle barrnhertigheit de rechte armen

ontsteelt.

Wat raat dan? Steelen en wil ik niet, daar steekt me

of de wallig:

Al is 't een aardige kunst, sij helpt 'r miester an de

gallig.'

(Ierolimo uit).

55 Dienen dat waar een ding, so had ik de besorgde kost, Soo waar ik van de straat en van 't leeggaan verlost. Was'er maar een rijk heerschap, ik woud' hem garen

dienen.

Gants lijden, watte kwasten heeft die Jonker an s'n

bienen,

Hoe is hij uit estreken, hij is wel verguld met dat

geweer.

Ierolimo: 60 Hoort, manneken, soektege een meester?

Robbekno 1:

Ja ik waarlijk, mijn Heer. Ierolimo: Wel komt hier bij-men, ik sal ou van alles wel

versorgen:

Ik twijfel niet, of gij hebt een goei gebeken gesproken

van de morgen,

Want ons Heer heet ou verleent een goei meester

an mijn.

53 Daar steekt me of de wallig: daar komt mijn gemoed tegenop. 55 Besorgde kost: had ik niet voor eten te zorgen. 59 Uilestreken: „netjes aangedaan". — Verguld: ingenomen met. — Geweer: degen.

62 Gebeken: gebedje.

63 Heet: heeft.

Sluiten