Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En sij leide slapers om geil, en sij wos de bootslui

heur hembden, En de klieren voor de lui, op de erven, die hier lagen

leeg.

90 Daar na so gebeurden 't, Jonker, dat sij aan Dukdalfs palfreniers knecht kennisse kreeg, Want siet, hij brocht er al sijn miesters linnen te

wassen;

Dees was een lelike Swart, en sij was soo van passen ■Of matelijken schoon. (Maar foei! wanneer een Vrouw

is groen,

So sou zij 't met de beul, met een hond, ja met de

.duivel doen.)

95 Mijn moer die was een weeuw, die kwiks en heet van

bloed was,

Die noch al-te-wel heugden, dat 't bijslapen soet was. Wat het sij te doen? sij ging bij de Moor leggen, En sij beproefde, of de Moerjanen soo saft zijn als de

lui.seggen;

Maar de sohellem die vil heur in, as een nagel soo

hart,

100 Soo dat se van hem ontfing een mooie jonge swart. Hoe blijt dat se was, dat geef ik je te bedenken. Heer, wat brocht er die Moerejaan al soete geschenken,

Van suiker en van wijn, van wildbraat en van klein

gebient,

88 Sij lelde slapers om geit: zij hield een logcmentje. — Wos: waschte.

92 Swart: moriaan. — Soo Van passen: tamelijk mooi.

93 Groen: litsig, wellustig. 95 Kwiks: viel.

97 Het: heeft.

98 Saft: zacht.

99 Vil: viel.

100 Ze moest bevallen van een -mooi zwartje. 103 Klein gebient: gevogelte.

Sluiten