Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En ander lekkernij. Dan had hij een kapoen, en dan

een smient,

105 En dan gelardeerde duifjes, of dan een snipjen met

sijn drekj e:

So koesterden hij heur in heur kraam. Ochl seid hij,

och mijn bekje! Och! doet je toch wat te goed. Ik stont van veers en

keek het an;

En dan kreeg ik altemets van bijstaan ook een streek

uit de pan.

Daar deur kreeg ik hem lief en sag hem bijster garen; 110 Maar eertijts, als hij kwam, begon ik te krijten en

te baren,

Ik rits-evelde van angst, as ik hem komen sag. Dan riep ik: het sal donderen van desen dag, So bruin komt 't ginder op. Mijn docht, het was de

duivel

Of de bullebak; maar doen hij ons brocht broot en

suivel,

115 En andere snuistering, soo van eten en van wijn,

Doen docht hij mij geen mensch, maar een Engel te

zijn.

In dese ommegang liep een jaar of twee ten einden, 't Gebeurden, soo hij eens sijn soontje wat douw-

deinden,

Wat troetelde, was kusten: want 't hem so lief as sijn

hert was,

120 't Kijnt sag, dat wij wit waren, en dat hij so pik

swert was,

107 Ik stond het uit de verte aan te zien,

109 Bijster: bijzonder.

110 Eertijds: vroeger. — Baren: spektakel te maken.

111 Ritseüelde: sidderde. 115 Snuistering: goedje.

117 Ommegang: verkeering.

118 Douw-deinden: in de armen wiegde.

Sluiten