Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

155 De Wet geboot mijn moer op pene van de kaak, Dat sij bij dese Moor niet meer en sou verkeeren, Of men sou 't haar ook vreesselijk verleeren. Branden met spek, docht mijn moer, dat behaagt mij

niemendal,

Ik wil de kolf soo roukeloos niet werpen na de bal.

160 Doe heeft sij om de kwa tongen, en ook om wel te

leven

Haar uit devocie in 't arme mannen gast-huis begeven. Daar dienden sij om Gods-wil; trouwens om de kost,

wat je mient,

En daar heb ik na mijn vermeugen mijn broot ook

verdient,

Dan liep ik bij de Doctoor of bij de Apteeker om

dranken,

165 Of bij de Barbiers om salf, of andere bootschappen

voor kr anken. Ten lesten kwam' er een weetige, teetige, verstoorde

blinde-man,

Die versocht mijn tot zijn laitsman: hij praten 't mijn

moer soo an, Dat sij mijn bij die elementsche fiel bestelde. Och Jonker, ik had een jaar werk dat ik je vertelde,

170 Wat kommer dat ik somwijlen heb geleên.

Ierolimo:

Nu Robbeknol, al properkens, sacht, manneken, geeft

ou te vreên

155 De Wel: het gerecht. — Op pene van ie kaak: op straf van,

te pronk staan aan de kaak. 159 lk wil me niet zoo roekeloos in gevaar brengen.

161 Maar: zich.

162 Om Gods-wil: zonder loon te ontvangen. — Wat je mient? wel te verstaan.

165 Barbiers: heelkundigen.

166 Welige: eigenwijze. Teetige: sukkelige. — Vertornde: uitgedroogde.

167. Hij praatte net zoo lang tot. — 168 Elementsche fiel: beroerde schurk.

171 Al properkens : kalm aan.

Sluiten