Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nu dankt ons Heere God voor saine goeien gracie: Gij zijt bier ter keure wel gerookt te dezer spade, Want ik kik sal ou triomphantelaik versien met al

wat ou gebrekt. 175 Een dingen jammert mai, dat is, da'ge soo bot Hol-

lants sprekt.

0, de Brabantsche taal die is heeroiek, modest en vol

perfeccie,

Soo vriendelaik, soo galjaart, soo minijert en so vol

correcde,

Da'men 't niet geseggen en kan. Ik wou om duisent

pont

Da'ge se soo wel alse kik of m'n Peterken verstout. 180 Ik sweer 't ou par Die, gij «out ou Hollaats versaken, Want die ons verstoot, die verstoot alle spraken. Was ou moeyer nog maagt, ik liet ou een Brabander

maken.

Onse taal is een robsodie, nonpareille sonder weergae; S'en beeft geen komparade bij de suiverheit van Hol-

lant op veer nae.

• Robbeknol: 185 Ja 't is een moie mengelmoes, gij meucht er wel van

spreken,

Gij lui hebt de Fransche, de Spanjers en d'Italianen vrij wat of ekeken.

173 Gij zijl hier ter keure wel gerookt te deser spatie: Je bent hier thans bijzonder goed te land gekomen.

174 7 riumphaniclaik: volop, royaal.

175 Jammert mai: spijt mij. — Bot: plat.

176 Heeroiek: groetsch. — Modest: fijn.

177 Galjart: leutig. — Minjerl: zoetklinkend. — correceie: nauwkeurigheid.

178 Dat men er niet over uitgepraat komt. 180 Versaken: eraan geven.

183 Robsodie: mengelmoes, maar Ier. voelt niets ongunstigs in dit woord.

184 Ze is in zuiverheid in de verste verte niet te vergelijken met het Hollandsen.

Sluiten