Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Brabanders slachten d'Engelsche of de spreeuwen, sij kennen van elks wat. Ierolimo.

s'Jasy wat sain hier harsenloose botmuilen in de stadl Sij zijn slechts en recht van leven, en simpel in de stijl van haar geschriften. Robbeknol: 190 O, eelekaarten, soud' men dat lebbige Brabants siften Of wannen, gelijk de kruieniers haar kruien, so waar

as ik leef,

Ik wil wel wedden, dat er de helft niet over en bleef. Dat 't Hof te Bruyssel eens banden al de uitheemsche

woorden,

Dat iegelijk most gaan, daar sij eigen zijn, of daar se • t' huis hoorden,

195 Wat sou er een goetje vertrekken; gantsch lijden!

hoe kaal

Souwen die Brabbelaars staan kijken met haar arme

jottoosse taal: Maar nou zijn se hier so vermaagschapt, dat men se

niet sou konnen scheien, Al bad je al de geleerden, Professoren en Doctoren van Leuven en van Leien. Ierolimo:

Slecht-hoien als gij zijt, moökt eensjens een acte

notariaal.

200 Gai Uen en weet van hoofse tarmen, gij schrijft moór

duits teenemaal.

188 s'Jasy: een van de vele basterdvloeken, die hier telkens voorkomen. Jezus zit er in.

189 Slecht en recht: simpel en eenvoudig.

190 Eelekaarten: basterdvloek, lieve hemelt — Lebbige: goore.

193 Dat: als.

194 Dat: zoadat. Daar sij eigen zijn: daar ze thuis hooren.

196 Jottoosse: koeterwaalsche, plompe.

197 Se: de woorden n.1. 199 Slechthoien: uilskuikens.

208 Tarmen: termen. — Dultsch teenemaal: enkel maar gewoon Hollandsch.

Sluiten