Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al eer hij dat met macht van soldaten heeft gewonnen. 240 Nu ik moet ter missen gaan ia 't klooster bai de

Nonnen.

Moor wat 'k ou vragen sou, saide gai ook gedebau-

cheert?

Daar en is geen dingen soo goet, als dat men spaarlaik

minageert.

De minage, Monseur, passeert: 't is beestig, dat men veel eet en drinkt.

Robbekno 1: Dit 's al weer 't ouwe deuntje. Ik weet wel, met wat voet dat hij hinkt. 245 Ik loof niet, of ik ben op sinte Galperts nacht eboren, Dat's drie dagen voor 't gelok; nou geef ik 't verloren, De droes die helpt mijn an die gierigerts altijt.

Ierolimo: Wat stóde en snapperkoökt, he?

Robbekno 1:

Och Miester, niet een mijt; Schijt, schijt, niemendal, ik ben geen eter, wij sullen de kost wel krijgen.

Ierolimo:

250 Een ajuinken, een ciepelken, een sneeken brood en

twee vijgen,

Dat's en Heeren kost.

339. Misschien toespeling op de belofte van Ferdinand den Katholieke aan Columbus, vóór deze zijn ontdekkingstocht begon.

241 Gedebauchecrt: hier wel vooral bedoeld met het oog op eten en drinken.

242 Minageert: huishoudt.

243 Minage: het eten en drinken. — Passeert: gaat door het lichaam,

244 Met wat voet dat hij hinkt: waar de schoen wringt.

245 Sinte Galpertsnacht: St. Galpertsavond (1 1 Juli) komt drie dagen voor St. Bonaventura (goedgeluk). St. Galpert kan bovendien in verband gebracht worden met galpen-schreeuwen.

246 Wat stode en snapperkoökt?: Wat sta je daar te reutelen? — Niet een mijt: niks.

249 Schijt: snert.

250 Ciepelken: uitje.

Sluiten