Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Asse kik onse maagdekens sie; tsoch sij saym wel vroielijk van geest.

Robbeknol: Ik gis dat je mij slacht: gij hebt er veel bij eweest. O bloet, ik heb sulk'en honger, ik wou dat ik al an

't wangen was:

280 Mijn buik raast anders niet, dan of mijn keel gehan¬

gen was.

Ierolimo:

Nu tsa laat ons gaan ter kerken tot ons Vrouwen-

bruurs en horen Mis, En dan sullen wij sien, wa wij sullen koopen van

vlees of vis.

Robbeknol: Och dat is een krachtig woort, daar praat je na

mijn sin.

Och Priestertje, Priestertje, haast je wat, soo krijg ik

hier wat in. Twee Jongens en Floris Harmensz., Houtslager, met de baar uit. Aart:

285 Aauwe, wille wij t'samen klaauwen?

Ik ra stoof, Aauwe schijt, Aauwen is sijn klaauwen kwijt A au wen:

Ie get gallig-veugels, gallig-veugels, laat m'n gaan,

277 Ttoch: waarachtig. — Vroielijk: (raai. «nfpll 279 Wangen: schransen.

281 Ons Vrouwen-bruuts: in de kerk der broeders (monniken) van O. L. Vrouw.

285 Aauwe: bijnaam voor Floris. De namen Aart en Krelis komen niet op de lijst der spelers voor in de oude uitgaven. Daar m.i. hier dezelfde jongens bedoeld worden als in het tooneeltje dat met vers 454 begint, denk ik aan een vergissing. Ik houd het ervoor dat ze ook hier Joost en Constant moeten heeten. — Klaauwen: kooten — Stoof: de gebogen zijde van het kootbeentje of bikkel. — Schijt: de holle. vgl. huls of munt bij het opgooien met centen. .

288 Ie get: basterdvloek. — Gallig-oleugels: vgl. ons galgebrok.

Sluiten