Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of ik sel je, ik sweer 't, met de swiep om d'ooren

slaan.

290 Wat rije me dese beslichte, bekrenkte schavuiten: Krijg ik je in de kerk, ik sel der je war ach tig in

sluiten.

K rel is: Aauwe lampoot, krombien, 'Ik heb je an de gallig esien. A a u wen:

Hoe rijen me dese verbrankste scherluinen? gantsch lichters, koom ik je bij, 295 Ik sel je de bullepees soo sakkereels elements leggen

in je sij,

Dat 't jou heugen sel; ik sel je bijget soo ongenadig

oftouwen,

Dat je bij gansch akkrementen op een aar tijd je mongt wel selt houwen.

Aart:

Aanwen lampoot, Aauwen lampoot, heb je dat hert

een reis,

Soo sel ik jou dat mes omdraien in jou vleis. Aauwen:

300 Ik sel de baar neersetten, dat loof ik je; o jij Gods

gauwe dieven!

K r e 1 is: Dat voor jou lampoot!

Aauwen: Hout me die jongens vast, ei lieven, Keert se om Godswil. Och so hout se vast; loopt schelmen, dat gij jou beschijt

290 Rije: kwellen. — Besuchte: verdomde. — Bekrenkte: vervloekte. 294 Verbrankste scherluinen: Verdomde schavuiten. Zoo ook in de

volgende regels nog eenige krachttermen en vloeken. 296 Oftouwen: aframmelen.

300 Loof: beloof. — Godsgauwe: vgl. ons godsliederlijk. Gauwe dieven is thans één woord geworden.

301 Dat voor jou: Hij gooit Floris dus met 't een of ander.

Sluiten