Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe kwellen mijn die weersoordige, overgeven jongens altijt,

Sij ribsakken mij wel, mach 't helpen: ik arme kreupele ouwe man, 305 Mijn bienen die rijen mijn so, dat ik mij niet ophouwen

en kan.

(Hij gaat sitten op de baar.) Jan Knol, Andries en Thomas. Jan K n o 1:

Wel Floris Harmensz., waar breng je de baar? wie

is 'r doot?

Floris:

Adriaan ien pijntje, peete Barberen man, jou ouwe

lagenoot.

Andries:

Adriaan ien pijntje doot? doot? doot? dat is wonder. Vertrouwt wat op de mensch; in de stadt was geen

gesonder

310 Noch vaster man, die so wel in sijn vleisch en op sijn

ileên was.

J an K no 1:

't Was jammers, dat 't sulk 'n stijf-sinnigen korselkoppigen deen was.

Thomas:

Ei laat de dooden rusten, segt van de afwesende geen

kwaat.

Floris: : Daar heb je gelijk in, Thomas-oom, 't gaat je wel, jij

groote maat.

303 Weersoordige: beroerde. — Overgeven: vervloekt.

304 Ribsakken: mishandelen. — Mag 't helpen: God betere 't.

305 Rijen: heven.

307 Ien pijntje: bijnaam, zeker omdat hem dit woord voortdurend in den mond lag in de herberg. — Lagenoot: kroegkameraad. — Barbaren: van Barbara.

311 Deen: scheldwoord voor een stugge kerel.

313 'tZal je goed gaan, nl. omdat je er zulke goede principes op na houdt. — Groote maat: amice.

Sluiten