Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat vraag je mijn dat? vraagt dat de labbe-kakken

an 't kerkhof, Die daar een hele aftermiddag staan, en maken daar

haar werk ofj Daar staan die Laarijsters, zij an zij, dromel bij dromel, hangt aan hangt, 385 Daar heb je Elsje Kooklekkers, en Stijn Snoeps met

haar Linkermangt Vol gesoön karstengen en aardakers; sij snoeien en sij

teesen;

Ginder staat Lijs Gors in een stoep en begint haar

getijen te leesen; En staat en preutelt so rat, dat 't schijnt, dat sij gaarn

't eindeJvaers hat, En heur mongt die gaat er aars noch aars, as' en tellenaar sijn aarsgat. 390 Dat is so haast niet uit, of daar wordt van de dooden

wat epraat;

Wacht je voor dat klootjes volk, dat goet weet van

alle katte kwaat Daar heb je 't: 't was sulk 'n loopert, suk 'n vechtert,

su lk 'n guit

Daar is 't: deinkt en reis, onse Lobbrich is de bruit Met Harmen Glad-muil, en s'n wijf het gien maant

doot 'eweest;

382 Labbekakken: kletswijven.

384 Laarijsters: babbelaarsters. — Dromel: troep.

385 Linkermangt: mand aan den linkerarm (?)

386 Gesoon karstengen: gekookte kastanjes. — Snoeijen: snoepen. — Teesen: pellen, pluizen.

388 Staat en preutelt: Staat te prevelen. — Emdelvaers: laatste vers.

389 Tellenaar: telganger. — Aarsgat: popo. — Aars noch aars: precies.

391 Klootjes Volk: schorrimorrie.

392 Loopert: liefhebbers van de vrouwen.

393 Daar is 't: Daar hoort men zeggen.

394 Zijn vrouw is nog geen maand dood.

Sluiten