Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

395 Ik weet 't, waagt ons Jannetje Stronx die kei er speelnoot 'eweest;

Heer, seide Nelletje, hoe verweent is onse Klaasje

Boelen 'ekliet, Hoe ondeugt, hoe ondieft; sij moet 't al mee hebben,

sou sij niet?

Een sulvre sleutelreeks, een blanket blauwe rok en

een doek met slippen, Dat sei murwe Niesje, so stronk tig, met sulke scheet-

sche lippen,

400 Dat je jou sout bepissen, dat gij se maar eens aansagt Kijnt, seid se, 't is sulk 'n kribbetje, ik raat dat jij er

jou van wacht, Want 't is sulk 'n kaakster, sulk 'n snapster, sij swijgt

niet 'n beet:

Ja, deink ik, soo slacht sij jou, gij swijgt ook al dat

gij niet en weet.

Andries: Maar Floris Harmensz., is dat waar?

Floris: Webbetje Klonters wist er of, 405 Die sit daar op een luife of op een pothuis, en hout er

net register of, En daarom komt 't, dat se altemets so deerlijk en soo

droef praat

Sij weet je op een prik, hoe veel volks dat er mee te

groef gaat,

396 Verweent: prachtig.

397 Ondeugd: ijselijk mooi. — Ondieft: bijzonder net. — Mee: ook.

398 Sleuielreeks: ring roor de sleutels, die aan een zilveren ketting aan het middel hing. — Blanket blauwe: licht blauwe.

399 Murwe: slap. — Stronkfig: vies. — Scheetsche: opgetrokken smalend, spijtig.

400 Dat gij: als gij.

401 Kribbetje: kribbig nest.

402 Kaakster: kletsmeier. — Niet 'n beet: niet het minste. 405 Luife: luifel. — Pothuis: laag uitbouwtje voor het buis. 407 7e groef: ter begrafenis.

Sluiten