Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe veel rou-mantels, hoe veel korten, hoe veel

huiken, en hoeveel faliën, En hoe veel wittebroots de rijke-lui geven door de

traliën,

410 En soo veel gelts, Andries, dat er het einde of is

'e weg.

Nou ik mag gaan, eer ik je meer van die kakke-

beien seg.

Jan Knol:

Mijn groote kameraat: gij moet hier noch wat staan, Gij moet ons van de ouwe mannetjes ook wat

verslaan.

Thomas:

Nu set jou baar neer. Wat soo, komt bij de gesellen: 415 Gij moet ons heur legenden ook na 't leven vertellen. Floris:

Mijn tijd die is hiel kort, daarom maak ik geen lange

teem.

Onder het uurwerk in de Nieuwe Kerk, daar sit sulk

'n veem

Van ouwe praters, van koddenaars en van ouwe

klouwers,

Met heur hangende hoofden, met hooge ruggen en kromme schouwers, 420 Daar sitten de druip-neusen, die sijp-oogen bij mekaar. Dorstige Vrankje zeit: Mieuwes, gij bent al tachtig

jaar;

408 Korten: korte rouwmantels? — Hui'tan: lange rouwmantels met kap. — Faliën: Sluitende rouwmantels voor vrouwen.

409 Een gebruikelijke uitdeeling van brood aan de armen bij begrafenissen door de traliën van de deur vermoedelijk.

411 Kakkebeien: babbelkousen. 413 Verslaan: vertellen.

415 Legenden: leven en bedrijf.

416 7eem: geleuter.

417 Veem: klubje.

418 Koddenaars: grappenmakers. — Klouwers: ketel». 420 Sijp-oogen: menschen met tranende eogen.

Sluiten