Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij .gaat na de bruiloft, :daar had je Frans Witte-brood

en Jan Trek,

Die koften van de beerstekers een tobben of twee met

drek,

En sij groeven op de stoep, en sij lieten 't daar in

dijsen,

De lekkere geparfuimeerde soete kauw gij se. 440 Daar saten die litsers met de mangtels veur de mongt; Mit dat m'n noom komt tasten, valt hij bedoven in de

grongt,

Hij kreet en hij bruisden, het scheen, dat hij er in

versmachten.

Je sout je kruist enne zegent hebben, hoe hij vloekten

en hoe sij lachten. Stil, stil, seiden sij, wij hebben d'r wat mee veur, 445 En met soo klopten sij ongeschikt en leelijk an de

deur:

Met dat het bruilofts volk over hoop kwamen uit-

loopen,

So villen en gingen sij d'een den ander in de moster

doopen:

Daar stonden se besuikerkoekt, aars noch aars ik

weet niet hoe; — En sulke .po Her ij tj es die meten se meikaar met

schepels toe.

436 Bruiloft: ln Brabant wordt bet ruimen der beerputten zoo genoemd.

437 Beerstekers: ruimen der beerputten.

438 Dijsen : glijden.

439 Kauw gij se: eet ze maar.

440 Lidsers: schavuiten.

441 Noom: oom. — Komt tasten: tastend komt geloopen. — Bedoven: diep ingezakt.

442 Bruisden: ging te keer. — Versmachten: stikte.

443 Je soul je ekfitist en ezegent hebben: je hadt ja een stuip gelachen.

445 Ongeschikt, onhebbelijk hard.

448 Aars noch aars ik weet niet hoe: net als ik weet niet wat.

449 Potierijtjes: boevenstukjee.

Sluiten