Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hout daar dan, Kontant, stuit recht uit, heb je de

macht,

Siet daar is er uit.... laat sien, en daar is er vier in: O lieve neskebol, scheit er uit, eer ik mier win. Contant:

Jij bent en onreinigert, ik moet op je hangden letten. 465 Komt an, mannetje mug, ik speel je, bij vijven op te

setten.

I o o s j e:

Geeft mijn ierst? ik geef je ierst en een schoot. C o n t an t:

Wat brabbelt mijn-die fiksert; dat 's er een op s'n

poot!

I o o s j e:

O bloet, dat 's 'n vlakken bark-man, 'die jongen die

kan schieten.

C o n t a n t:

Sou ik altijt verliesen, dat sou de nikker verdrieten. I o o s j e: 470 Hoe veel heb je 'r uit?

Contant: Een en al de aren.

461 Stuiten: stootend gooien met de knikkers.

463 Neskebol: suflert.

464 Jij bent 'n onretnlgert: jij doet gemeen.

465 Mannetje mug: prulkereltje. C. stelt nu voor een ander spel: ieder 5 knikkers opzetten in een kring en er dan met een andere (meestal grootere knikker) zooveel mogelijk uitmikken. Maar C. heeft niets meer. Vandaar plagend: Geef je mijn eerst? Maar J. toont dadelijk zijn goede hart; hij geeft die 5 knikkers en bovendien een Schoot om mee te mikken. In Brabant heet zoo'n groote mikker nog Scheut.

467 C. (even boos): Wat leutert mij die plagert! (intusschen spelend): Dat 's er een op s'n poot (die is mooi geraakt).

468 O bloet: basterd vloek. —- Vlakken barkman: een knikker met een plat vlak, die nog wel moeilijk rolt.

469 Nikker: duivel.

470 Een: dat is die vlakke barkman, maar terwijl J. z'n vraag doet, gooit C. al de aren (andere) uit den kring.

Sluiten