Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ierolimo:

Rob'knol, ik ga eens uit tot ons Pastoor en Koster. Wat, mis ik, paysse kik, main houten paternoster?

Robbeknol: Daar gaat den armen bloet wel fier en moedig uit. Dat s op s'n genevois, nou moitjens as de bruit. Ierolimo:

530 Wel Robbert, maakt 't bed, het huis wart ou bevolen, Haalt woöter, sie wel toe, da ons nie wart gestolen. Soo g' uit gaat, sluit de poort, en legt de sleutel dan Op dese richel, op dat ik inkomen kan, En slaag 't eeten gai, dat 't geen ratten verderven. Robbeknol: 535 Kwam er een muis in huis, hij sou van honger sterven. Hoe groots treedt hij daar heen, hoe aardig op zijn

pas;

Sou men niet seggen, dat het selfs sijn Hoogheit was, Of iemant van sijn Raat, soo trotsch is hij van wesen? Heer, daar gij send' de siekt, daar stierdy ook 't

genesen.

540 Die dees mijn Heerschip sag soo kloek en wakker

gaan.

En sou hij niet vermoên, hij had een tsech gedaan, Die hups en lustig was? maar wie soudt konnen weten, Dat gist'ren noch van daag, hij niet en heeft gegeten,

527 Paine kik: bedenk ik daar. — Houten paternoster: rozenkrans met houten kralen. Wel wat vreemd in den mond van iemand, die 'zoo opsnijdt. Waarschijnlijk dus: ter zijde.

529 GeneOois: waarschijnlijk = Genueesch, fier en parmantig. Als zoodanig hadden de Antwerpenaars de jonge handeldrijvende Genueezen kunnen lseren kennen.

530 Ier. komt dus nog eens terug.

534 Slaget 't eeten gai: pas op het eten.

539 De ziekte is in dit geval de armoede. De Heer geelt de grootsche inbeeldingen als geneesmiddel.

541 Vermoen' meenen. — Tsech: maaltijd.

542 Hups: heel aardig.

Sluiten