Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan een kruimpje 'droog broot, dat ik droeg op mijn

borst

545 In plaats van een tresoor, wel gruisig en bemorst? O God, u werken zijn van wonderbaar vermogen! Wie zou niet met die schijn van welstand zijn

bedrogen?

De Jongman komt er an en treet gelijk een Prins,

Die genig dink gebrekt, maar die 't gaat na sijn wins; 550 Hij is wel uitgedost en komt hier an brageeren,

Al had' hij duisent pont om jaarlijks te verteeren.

Wie sou eens denken, dat sijn bulster of sijn bed

Geen daalder waart en is, met alles wat hij het?

Wie sou eens denken, dat hij smorgens kan gedoogen 555 Sijn handen, aansicht aan een vuile siet te droogen?

Ach, dit denkt niemant niet! maar gij weet, Heer,

met mijn,

Hoe veel dat hem gelijk in dese werelt zijn,

Die meer om ijd'le eer en pronkerije lijden,

Als om u heil'ge wil. O recht vermaledijde 560 En lichte glorie van een sulken sot gemoet,

Dat ziel en- lijf veeltijds hier bankrottieren doet!

Wel, hoe ben ik soo veer met mijn gedacht gekomen?

Voorseeker was ik daar geweldig op genomen.

Nu wil ik binnen gaan en sluiten 't deurtjen toe, 565 Want 't is voor al het best, dat ik mijn werk of doe. De twee snollen: Trijn lans en Bleeke An

545 Traoor: etenskastje. — Gruisig: vuil.

549 Die genig dink gebrekt: wien niets ontbreekt.

550 Brageeren: bluffen.

551 Al: als

552 Bulster: stroozak.

554 Gedoogen: goedvinden.

555 Siet : lap. 560 Lichte: wufte.

562 Hoe ben ik zoo aan 't filosofeeren geraakt.

563 Geweldig opgenomen: erg in boogere sferen. 565 Of: af.

Sluiten