Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik héb nou lestent wat goets, wat snuisterings verset; Daar is mijn lommertceel, leest, hoe veel moet er

wesen?

A n:

Wat karakters zijn dit; de Duivel mocht dat lesen: Een kruisje, een krulletje, een streepje, par giert, 585 Dit 't Nikkers-geleertheit, door Heintjeman versiert. T r ij n:

't Is mij alliens, hoe 't is, as ik an 't mijn kan raaken; Dat doen sij slechts om dat het niemant na sou

maaken.

Ai-lieve gaat eens mee, hier in de Veruwerij • Tot Pokdalige Neel, 't is doch hier dichte bij. 590 Wel hoe schoorvoetje dus? gij moet nog niet

verdwalen!

Dit wijfje sal mijn eens met een snap gaan halen Mijn schort-haak, in mijn schort, mijn schortel-doek,

mijn huik.

Ei siet iens, wat 'n slort heb ik hier veur mijn buik; Ik spu dat ik 't sie, 't is vol stoppen en lappen, 595 'En siet, ik sel terwijl een vaantje laten tappen. Maar hoe stoeide gij so met sulk 'n groot gewelt?

581 Lestent: laatst. — Wat goets: wat goed. — Snuistering: kleinigheden. — Verset: verpand.

583 Karakters: letters.

584 Par giert: potdorie.

585 Nikker en Heintjeman: namen voor den Duivel. — Versiert: verzonnen.

586 Wat kan mij het ook schelen I

587 Om dat: opdat.

588 Veruwerij: ververij.

590 Schoorvoet: aarzel. — Verdwalen: op nieuwe avonturen uitgaan.

591 Met een snap: gauw.

592 Schorthaak: zilveren haak waar de schort (een bovenrok) aan bevestigd was. — In: en. — Schorteldoek: voorschoot.

593 Wat 'n slort: wat een klungel. 595 Vaantje: kan van twee pinten.

Sluiten