Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A n:

Dal loof ik wel, de vent en wod eerst niet van geil, Hij loofden mij een jak, twee rokken en een vlieger. Spesie in manum, seid' ik, God is geen bedrieger.

600 Ik sal 't geven, seid' hij, soo waar als ik hier sta. Die sijn geit te voren geeft, seid' hij, 'die mint op gena. Doen seid ik, soo veel te loven en niet te geven. Dat doet, borsje, de malle lui in vreugden leven. Dal gat en boordje niet, seid' ik, soo, jongman fijn,

605 Ik ken soo wel een boef, als al de boeven mijn, En met soo sloeg hij munt. Ik sou niet kunnen spreken, Of hij ( of ik, of wie dat eerst opsloeg de deken: Maar immers weet ik wel, as ik hem sag soo net, Soo docht ik, dat 'r kwam een Engel in mijn bet. (Ierolimo uit).

610 Hola, hier komt een man, die 't schijnt 'dat vrij wat

drok het.

Swijgt; goeden dag, Signeur, weet je ook wat de

klok het?

Ierolimo: De klok, herteken lief, die is omtrent den tien; Moor s'jasus, wa geluk, moor, Engelijke liên, Moór, beeldekens van gout, met goeie salutacie 615 Kus ik de handekens van ou beleefde gracie

Kee hertekens, woör heen dus sonder serviteur?

597 Dat loof ik wel: dat is nog al duidelijk. — Wod niet: wou niet weten.

598 Loofden: beloofde. — Vlieger: loshangend bovenkleed, dat men ook opgeslagen droeg om den rok te laten zien.

599 Specy in manum: boter bij de visch. — God is geen bedrieger: ik hou van de sekurigheid.

603 Borsje: vrindje.

604 Dat gat en boor(d)je niet ongeveer = je zult mij niet besjoechelen.

605 Ik weet wat voor vleesch ik in de kuip heb.

606 Sloeg mj munt: schoof hij af. — Spreken: navertellen. 608 Immers: in elk geval.

610 Drok het: nog al beweging op zijn lijf beeft? 616 Kee: wel. — Serviteur: galant.

Sluiten