Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Robbeknol: Trouwe Luickes je kent, wel miester, jij hebt grepen, 715 De hoeren nijgen, hout, jij sult jou hembde slepen: Siet hoe dat hij sijn kap geslingert en gesmeten het.

Ierolimo: Ik kus <de vloi, Juffrouw, die op u hont geseten het. T r ij n:

Gaat heen, gij grootsche gek.

An:

Gaat heen, jij kalen neet. Kon gij hem verstaan? (Ierolimo binnen.}

T r ij O: Half. A n:

En ik niet een beet: 720 Ik doch eerst, dat ons God een groot kadet verleenden.

Robbeknol: Deur gaat mijn Heerschip treên; hij was 't niet die sij

meenden,

De veugel was te schraal, ai siet, de swanen sien Na iemant van heur volk, en juist en komt er gien. •Nou ik mag gaan na huis, en schikken 't daar te degen; 725 Maar hola, ik en heb geen water nog gekregen.

(Robbeknol binnen.)

An:

Ygut Trijntje, het scheen, dat hij u wel bevil.

714 Luyckes = leukerd? — Grepen: foefjes.

715 Hout: wacht. — Jij zult jou hemde slepen. Kijk ze eens diep buigen.

716 Kap: mantel.

719 Ik niet een beet: ik heelemaal niet.

720 Groot kadet: voornaam jong heer. 722 Swanen: Hij bedoelt de snollen. 724 Schikken: in orde maken.

726 Dat hH u nel bevtl: dat jij wel trek in hem hadt.

De Spaansche Brabander 7

Sluiten