Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T r ij n:

Die hongs-klink, wat! hij mocht dat ik niet seggen en

wil.

Wat sou die gatvink doen, hem schorten maar een

praatjen,

Die lansknecht van te nacht, dat was een ander maat-

jen.

730 Maar Annetje, heb je lang geweest in 't groote gilt? An:

Ja, el van mijn viertien jaar soo raakten ik. op 't wilt; Ik woonde buitens-huis, en daar ik kwam te woonen, Daar stoeiden ik altijls met de knechtens, met. de

soonen:

, Gij weet wel hoe '1 dan gaat, daar men zoo stormt en

malt,

735 Dal hel kort-hielde volk licht after over valt. Hoort hier, ik sel '1 jou vertéllen metten korsten. Mijn Miesters ouwste seun die tasten staag mijn

borsten,

Ik weerde mij niet seer, ik liet 't hem al doen: Want siet hij had me lief, en ik was ook soo groen, 740 Dal ik hem tokkelde as hij mijn niet aanraakte, 't Gebeurden, soo ik eens sijn bedde wat vermaakte, Hy greep mijn in zijn arm en smeet my op het bet, Ik kan 't je niet kallen, wal hadd' de knecht een pret, Eer hij kwam tot sijn wil. O mijn! hij kon soo prachen.

727 Hongs-klink: hondsvot. Hij kan doodvallen of zoo iets.

728 Gatvink:: viezerik? Hij was om een praatje verlegen.

730 Groote gtlt: Van de snollen nl.

731 Op 't wilt: op 't breede pad.

734 Stormt: stoeit.

735 Korthtelde volk: met korte hielen.

736 Metten korsten: zoo beknopt mogelijk.

739 Groen: ritsig.

740 Tokkelde: kietelde.

741 Soo: terwijl. — Vermaakte: in orde bracht.

743 Kallen: vertellen.

744 Prachen: aanhouden.

Sluiten