Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'Hoort hier, wat gaan sij doen: sij scheer en daar een

raat,

Waar door de bommel most eens endeling uitbreken, Want s' hebben een haar nicht bij mijn vertrek verstéken.

770 Des nachts, na mijn gewoont, soo ben ik opgestaan, En bij mijn vrijer voort gerust te bed gegaan. De nicht kwam uit haar hol, en heeft een kaars ontsteken,

En is mijn proper na van liever lee gestreken: Maar doe se boven kwam, daar vant sij 't lieve paar 775 In alle vriend'lijkheit gelegen bij menkaar.

De moer gaf mijn m'n sak, ik most m'n goetje nemen En gaan ten huise uit; hem stuurden ze na Bremen, Zoo kwam ik bij de luy; wat sal ik je meer seggen. Maar hoe kwam jij er toe?

T r ij n:

Maar hoort, ik sel 't je seggen. 780 Ik diende in den iNes in een huis wel vijf jaar, En samelde mijn geit en goetje wel te gaar, Ik won een groote huur, en ik kreeg veel geschenken Van breng-loon, van verval, meer als m'n wel sou

denken.

Ik schraapten soo te hoop, want siet, ik hielt te raat, 785 Soo dat ik koft en kreeg al wat dat vroeg opstaat. Daar na soo docht ik eens een kamertje te huuren, En gane bij de buurt uit wassen en uit schuuren.

767 Scheer en een raai: maken een plan.

766 De bommel moest eindelijk uitbreken: de zaak moeat eindelijk uitkomen.

769 Een haar nicht: een nicht van haar. — Verstegen: verstopt.

772 Mol', schuilplaats.

773 Ze is me netjes zachtjes nageloopen. 776 Gaf mijn men sak: liet me ophoepelen

778 Bij de lui, nl. de collega's van Trijn en An. 784 Ik: hielt te raat: ik was zuinig.

765 Al wat vroeg op staat: het beste dat te krijgen was ? 787 Dus „werkvrouw" worden.

Sluiten