Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En rokken van satijn en tabbaarts van Houweel 865 Die dragen ieder een, ja de hoeren in 't bourdeel; 'i Zijn kourasieuse liêns. Maar is de sleutel buiten? Mijn jongen die is uit, ik mag de deur ontsluiten, En vouwen op mijn kap en leggen se te pars; Dan wil ik op de plets wa wand'len over dwars. Robbeknol, etende, vertelt zijn avontuur. 870 Dat heeft sijn ouwe smaak: wel op, mijn magre

koonen,

Nou moet je eens jou kunst en jou vermogen toonen. Siet, hier is spek tot palm, hier hebdy 't al na wens: Gave lever, goet brood, ossen-muil, schape-pens En beuling en koevoet; hier is wel veul te banken;

875 Ik heb de goede lui Wel hartig te bedanken.

O bloet, hoe krijg ik 't op? mijn buik die staat al stijf, Want ik heb schier een brood van twaalf pont in 't lijf, En daartoe nog een pan met excellente grutten; Daarom ben ik bezorgt, hoe ik dit best sal nutten.

880 Al weer-an, seit de meit, dat gaat er weer na toe. Elementen, wat is dit? mijn bakhuis dat wort moe. Gants lijden, och wat raadt? hoe sal mijn Jonker

kijven,

De klok die is soo laat, het is al over vijven. Dat 's gang, ik klop, 0 mijn!

Ierolimo:

Wel, waar heb de te gaan? 885 Waar sydy doch geweest?

868 Kap: mantel. — Te para: in de pers.

869 Plets: plaats, misschien de voormalige boerenvischmarkt, die daar in de buurt was.

870 Wel op: vooruit nu maar. 872 Spek tot palm: alles volop.

874 Banken: smullen.

875 Hartig: hartelijk.

879 Ik vraag me af, hoe ik het met de rest zal klaarspelen.

880 Al weer-an: vooruit maar weer.

884 Dat's gang: kom. — O mf/n: o jemini.

Sluiten