Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Robbeknol: Och Heer, wilt mij niet slaan, Want ik heb u gewacht al over de twee uren; Ten lesten ik en kon van honger niet geduren, Soo kreet mijn holle maag, die half was in 'i slot, Dies ik mij zelfs beval de goede lui en God; 890 En siet, die hebben mij gegeven dese beetjes.

Wel, dat ansicht staat niet stuurtjens noch niet

wreetjens.

Ierolimo: Ook heb ik ou vertuift met den eten, maar wat Ik beide, gij en kwaamt, ik ging toe toens en at Voorts hede wel gedaan, ou Gode te bevelen, 895 Want 't is veel saliger te bidden dan te stelen,

Soo helpt mij God, Robbert 't is mij in 't niinste leet. Een dingen bid ik ou: maakt dat men niet en weet, Da gai hier bai main woont want ik wil ou wel

sweeren

Het sode woörlijk mai te na gaan main der eeren. 900 't Es wel woór, dat ik hoop, dat ik niet en wert ge-

schent,

Vermits dat ik alhier soo lettel ben bekent En of God wilde da ik ware t'huis gebleven!.

Robbeknol: Mijn Jonker, ik behoef geen tol daar van te geven, Hebt daar geen sorge voor.

888 Die half Wat in 't slot: bijna toe? dua: het eten ontwend?

889 Daarom ging ik bedelen.

891 Ansicht: gezicht. — Stuurtjens: atuursch, kwaad. Deze regel ter zijde natuurlijk.

892 Vertuift: gewacht.

893 Belde: wachtte. — Toe toens: toen bij ona binnen.

894 Te gaan bedelen.

895 Bidden: bedelen.

896 Waarachtig Robbert, het hindert mij volstrekt niet.

897 Bid: verzoek.

899 Ik zou het werkelijk niet met mijn eer kunnen vereenigen.

900 Cesehenl: in discrediet gebracht.

903 Ik behoef het niet aan de groote klok te hangen.

Sluiten