Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nochtans heb ik hem lief, want siet, daar staat ge-

schreven:

De geen die niet en heeft, die kan ook niemant

geven;

En of ik schoon gebrek op 't alderhoogste lee, 975 Soo bad ik steets met hem nog medelijden mee.

Daar is den armen bloet straks in sijn hembt ge-

loopen

Hier achter op 't gemak. Ik moet sijn buil eens stroopen,

En snoff'len die eens deur, so raak ik uit 't vermoên. Hollaf ik most in sijn broek eens gauw huissoeking

doen,

980 Nu in sijn wammesje, en nu eens in sijn mouwen.

Gants doot! ik heb de beurs, zij heeft wel duisent

vouwen:

Dit's niet, niet, niet, niet, niet, niet, niet, nichil is hier

meest,

Het schijnt dat er geen geit in lang in is geweest. Och, dit's een armen droes! Voorwaar, hij is rechtvaardig

985 Om sijn armoede mijn meedogentheit wel waardig; Maar ik haat wel met recht mijn blinde, gierige

miester,

En die ongelukkige en nauw gesette priester:

Den een die kreeg de kost, waar dat ik hem voor gong,

En d'ander kreeg de winst van mijn geleerde tong,

9/4 Of ik schoon: ofschoon ik.

977 Buil: beurs. — Stroopen: opendoen.

978 Dan krijg ik volkomen zekerheid van de zaak.

980 In de mouwen konden zakken zijn.

981 Dutsent vouwen: het tegendeel van rondstaan. 984 Rechtvaardig: te recht.

986 R. spreekt hier over zrjn andere meesters, die in den Lazarillo voorkomen.

987 Nauw gesette: gierige.

988 Waar dat ik Voor hem gong: die ik voor hem bedelde.

969 Mijn geleerde tong: R. was nl. misdienaar bij den ander, den priester.

Sluiten