Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

990 En lieten mij daar toe van scharpen honger sterven. Ut sal (dat kenne God) geen Hef-jonker sien swerven, Of ik sal denken straks, wanneer hij mij ontmoet: Het gaat de kalis, als 't mijn arme meester do├ęt, 'Die ik doch liever dien met sijn behoeftigheden

995 Als d'andere, en dat om mijn voorgaande reden, Maar een ding wild' ik wel: dat bij kende sijn staat, En dat hij niet en ging soo trotsch gelijk hij gaat. Dan 't schijnt wel, 't is een wet, die stip wert onderhouwen

(Bij het Brabantsche volk, so mannen ook als vrouwen. 1000 Al dat verloopen goet zijn al Joffers en Monseurs, Al hebben sij (als ik) geen penning in de beurs. De Heer die wil 't ver sien, eer sij ons ook verderven, Of sij sullen, soo 'k vrees, nog in de zonden sterven. Nu ik wil binnen gaan, eer dat hier komt mijn Heer,

1005 En vouwen daar de beurs in duisent ploien weer.

Ian, Andries en Harmen. IanKnol:

Bon'sjours, wat roest er? wat nieuws, Andries en

Harmen?

Andries:

't Gaat soo wat heen, maar niet als 't hoort, het land

is vol allarmen: De een wil ons hier, en d ander daar op 't lijf, o dit is

kwaat werkl

Daar toe inlandsche twist en scheuring van de kerk, '1010 Als de kikvors en de muis dus t'samen hassebassen,

Soo mocht de kuiken-dief wel schielijk haar verrassen.

991 Kenne: wete.

992 Straks: terstond.

993 Kalis: kale snuiter.

996 Dat hij voor zijn toestand uitkwam. 998 Stip : stipt.

1002 De Heer moge erin voorzien.

1006 Wat roest er: wat is er aan de hand.

1007 '/ Gaat soo wat heen: *t is al zoo wat.

1010 Toespeling op de bekende (abel. Hassebassen: ruziemaken.

Sluiten