Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I an Knol:

Andries praat soo gaarn van alle menschen kwaat. Andries:

1045 En om een logen, Jan, soo weet je lijdig raat. Harmen:

Wel, ik feeding, dat wij ons ons drieën spreken Eerbare woorden, en van allemans gebreken; Doch of ik wat vertrok, niemant en trekt hem an, Maar lacht, -en denkt: bij mient voor mij een ander

man.

Ian Knol:

1050 Wel, sullen wij dan kwaat van al de lui versinnen, Soo is 't best, 'dat wij van ons selven eerst beginnen. Harmen:

Dat 's waar, dat. 's recht; maar Jan, 't is iegelijk

bekent,

Dat gij een snuiver en een groote dronkert bent. I an Knol:

Dat lieg je niet, Harmen, maar ik en smijt geen

vrouwen.

1055 Men weet wel, wat voor huis dat gij hier plecht te

houwen,

En is hier een hij lik te roffen in de stad, Daar hebt gij, Andries, het makel-geld of .gehad; En was er een bankeroet, dat wist gij juist te maken, Maar daarom hiet gij ook de voorspraak van kwa

saken.

1045 Lijdig: aardig.

1046 Ik beding: ik stel voorop.

1048 Vertrok: vertelde. — Hem: zich.

1050 Verzinnen: oprakelen.

1053 Snuiver: praatjesmaker, hier misschien wijvengek.

1054 Smijt: sla.

1056 Hijlik te roffen: huwelijk te koppelen.

1057 Makfl-geld: makelaarsloon.

1058 Juist: in orde.

1059 Voorspraak: advocaat.

Sluiten