Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat kleine Mannetgen, dat op d'execusie loopt, En de plokjes kaalt op d'erfgoet, dat men verkoopt, Bleef gister-avont aan een groot huis hangen, 1135 En Jan de Pdjpestelder is van de ratel-wacht gevangen, En Harmen de Raser is van Krank-hooft gekwetst, En ons aller Hans Jong is verlooft an een ouwe best. En broer Karnelis is getrouw! an een Waterlanise

Tuitmeit,

Maar sij wil hem niet, nu sij hoort, dat hij sijn aieren

uit4eit.

Ian Knol:

1140 Andries, jij weet er of, waar haal je 't al van daan? Ik 'loof niet, of gij moet onder en boven d'aarde gaan. Harmen:

Wel, wat hoor ik daar? wel, wat wil 'dit wesen? Andries:

Het is de Ste-klok wis, men sal d'r wat of-lesen. Robbeknol:

{met een heel deel jacht van volk). Het volk loopt na den Dam; wel, wat of dat beduit? 1145 Daar zal Justicie seinen, want de Ste-klok die luit: Daar moet ik mee naar toe en sien se wat of-smeeren; Maar of men se kastijt, selden sij haar bekeeren.

1132 Dat bij alle executoriale verkoopingen is om een slagje te slaan.

1133 Plokjes: strijkgeld.

1134 Bleef hangen: moest tegen zijn bedoeling voor zijn bod het huis nemen.

1135 Pijpestelder: ruziemaker. — Ratel-wacht: nachtwacht.

1137 Ons aller: de bij ons allen wel bekende.

1138 Tuitmeit: meid met een tuitmuts, zooals in Waterland nog gedragen wordt.

1139 Dat hij zijn aieren uitlelt: bij andere vrouwen loopt. 1040 Jij weet er of: jij bent goed op de hoogte.

1141 Ik loof niet: ik geloof niet anders dan dat je. — Met een heel deel jacht van volk: Onder een heele hoop volk.

1145 Er zal niemand aan de, lijve gestraft worden.

1146 Of-smeeren: afranselen, geeselen.

Sluiten