Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. Ian Knol: Daar laat ik heur voor sien, hoe spreekt gij heur

soo veur?

Hoe na vrees je, dat gij ook straks sult moeten deur? De lui die worden moe van dus en soo veel gevens, 1165 Sij verluien daar op, die Jottoon en kromstevens; Sij zijn de oorsaak van der rechter armen noot, Die treuriglijk verkoopt zijn schaamt om wat droog

broot.

En onder alle, die de huissitten hier spijsen. En suldy geen twintig Burgers kinderen wijsen. 1170 Haar hert is haar te groot Maar Moffen, Poep en

Knoet

Dat zijn troggelaars, tot bedelen opgevoet; Dat bewijst de Riet-vink, en nog de ouwe Waal uit: Maar de Haarlemmer-dijk, o bloet! die levert aal uit: Wat woont daar een gesnor van volk van wijt en zijt, 1175 Daar is nauwelijks een dag, dat me 'r niet vecht en

smijt

Wat komt erflpdjdaags een gerit ter poort indringen, Van revelduitsche en van vreemde hommelingen, Al gesonde wijven, met besiekte doeken om, Bij hiele vaandels vol, doch met een stille trom

1163 Hoe na vrees je: Vree* je misschien.

1165 Verluien: lui worden. —Kromsteven: koeterwaal.

1167 Die: de arme.

1168 Huissitten: de regenten over de bedeelden.

1170 Zij voelen zich te zeer.

1171 Troggelaars: bedelaars.

1172 Rlelvink: een gedeelte buiten de Haarlemmerpoort. — De ouwe Waal uil: heel de onde Waal.

1173 Aal: gemeenvolk.

1174 Gesnor: luidruchtige hoop.

1175 Smijt: slaat.

1176 Geril: gedraaf.

1177 Revelduitsche: gebroken Hollandsch pratende. —Hommelingen: bromvliegen •

1178 Besiekte: die den indruk moeten geven, dat ze iets mankeeren.

1179 Vaandels: regimenten.

Sluiten