Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1200 O kon den Overtoom of de Kathuisers spreken, Of Slo ter dijk, wat sou er een bommel uit-breken!

Andries: De arrebeiers en de dragers an de straat, Dat is een volkjen, dat baar op den 'dronk verstaat; Wat dunkt je bijget, Jan, en zijn 't geen lekk're

boeven,

1205 Die niet van waar 't bier is, maar van wat merk 't is,

konnen proeven?

Harmen:

Sij benaarstigen sleets de middelen van 't Land. Andries:

■Sij benaarstigen sleets haar eigen sond en schand: Sij'misbruiken den drank en ook de goede suivel; Sij vorderen het Land, hoe? sij vorderen de duivel,

1210 Sij helpen de schoier en de sluiker wel an geit

Maar dat baat het Land noch pachter niet een spelt. Wat boeren 'dat er zijn, worden sij medestander, Den eenen fiel die sal 't dan stelen van den ander; Maar dese brouwers, of de gene die 't beschoit,

1215 Of die het sluiken 's nachts, sij blijven nog beroit. Behalve de kooplui, die eerlijk willen schijnen, Die kelders verhuuren an Frans- en Rijnsche wijnen, En halen door de deur somtijts een vaatjen wijns, En stelen jaar op jaar also den Heer het sijns.

1220 So daar de Magistraat niet beter op wil letten,

1202 Dragers: sjouwers.

2204 Lekkere boeoen: fijnproever*.

1205 Niet: niet alleen.

1206 Benaarstigen: bevorderen. 1208 Suiveli boter en kaas.

1210 Schoier: handelaar in vreemde bieren.

1211 Pachter: van de accijnzen nl. — Niet een spelt: geen sikkepit.

1212 Sommigen willen in boeren een drukfout voor boeven zien. Als boeren bedoeld is, dan bet. de regel natuurlijk: de buitenlui, die zich bij dit tuig aansluiten.

1214 Beschoit: levert,

1215 Blijven beroit: worden arm.

1119 Het sijns: het zijne of de accijns. — Den Heer: de regeering.

Sluiten