Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

So sullen sij het Land dapper ten achter setten. Daar zijn wijnkoopers, die ook setten een gelach, En dragen stoutelijk een heele nacht en dach; En hadden sommige haar handen recht gehouwen, 1225 Sij souwen in soo kort geen groote huisen bouwen. De vromen kijken toe en sien dit an met leet, Haar nering werdt verkort, gelijk men siet en weet Waarachtig, 't is al laat, ik wil nu thuis gaan eten. Harmen:

Ik heb ook etens lust, want ik heb niet ontbeten. Robbeknol: 1230 O bloet I nu mag men sien de vasten van ons buis, En d'inwoonders zijn so stil, so stil als een muis. Wij spreken niet een woort, so seer zijn wij bedroeft, Niemant weet van dé noot, dan die se treurig proeft Wat raat gaat mijn doch an? och ik kan niet

versinnen,

1235 Waar mede dat ik best de schaam'le kost mag winnen; Maar nog ben ik so seer beladen niet met mijn, Als ik nu met mijn Heer bewogen wel moet zijn. Waar sal hij, armen man, van nu voortan of leven? Hij heeft noch geit noch pankt en niemant sal hem

geven;

1240 Maar 'k weet niet hoe ik 't heb: het schijnt alliens,

bij get,

Of mijn Jonker nimmer geen honger schier en het Ik weet niet wat hij eet, noch ik kan niet bedenken,

1222 Gelag settent tappen.

1223 Dragen: de consumptie aandragen; de kroeg openhouden dus.

1224 Recht houwen: eerlijk zijn.

1226 Vromen: eerlijken.

1227 Werdt: wordt. Hun handel lijdt eronder. 1230 Mag: kan.

1233 Weet tan de noot: beseft wat nood is. — Proeft: ondervindt. 1224 Wat moet ik toch beginnen. — Niet: niets.

1239 Pankt : pand, bezitting.

1240 Alliens: evenwel.

Sluiten