Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij wie dat hij mag gaan, die hem het noenmaal

schenken.

Of leeft hij bij de wijnt gelijk het kameljoen?

1245 En niettemin als men hem siet komen op de noen, So steekt hij op sijn hooft so rustig over enden, Gelijk een wakk're wint van schoone swakke lenden. Robbert, nu is het tijd, dat gij middel versiert: Geen beter als mijn ampt, dat ik jong heb geliert,

1250 Ik wil mijn Evenjelie gaan halen uit de hoeken. En gaan bij de buurt mijn broot met eeren soeken. Trijn Snaps, Els Kals, Jut lans, spinsters. T r ij n:

Dat roert jou niet, hoor je dat weL Jan kurkevaar ? Jou wijf mag een hoer wesen, of jou dochter, of jou

snaar.

Loopt heen, gij hoere-dop, jij gat-vink, bij jou wortel-

teef,

1255 Gij hebt groot geluk, malle pis-dief, dat ik je bak-huis

niet an mortel wreef. Ik ben een vrouw met eeren, en so goet as jij of mijns

gelijk.

Wat rijt m'n dese rekel, de duivel dien je, bin je rijk.

1243 Noenmaal; toen wel de hoofdmaaltijd.

1244 Bij: van. Dit volksgeloof al bij Maerlant. Naturen Bloemen VI, 275.

1245 Noen: middag.

1246 Rustig: flink.

1247 Wint: windhond. — Swak: lenig.

1248 Vertlert: verzint. 1250 Evenjelie: Bijbel.

1252 Heel deze losbarsting richt zich tot een meneer, die ergens binnenshuis is (zie vs. 1259). — Roert : gaat aan.

1253 Snaar: schoondochter.

1254 Hoere-dop: hoerenjager. — Gat-vink.: vuilik. — Wortelteef: groen wijf.

1255 Mattel: gruis.

1257 Rijt: kwelt — De duivel dien je, hen je rijk: als jij rijk bent kom je er niet eerlijk aan.

Sluiten