Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En of ik niet deugen wil, wat hondert guldelingen

gaat 't jou an?

Els:

Niou, Trijntje, nou, nou, 't is hoog genoeg, 't is lang

enog gekeven,

1275 Het hij watte seit, 't is hem leet, men moet vergeten

en vergeven.

Hij is best die best doet; weet je niet, een (Hoer is een

vrouwe naam, Die 't niet en is, en trekt 't hem niet aan. T r ij n:

As 't is, mijn faam Mijn eer! mijn eer! mijn eer! mijn eer! die sal hij mij

verbeteren,

Of ik sel hem, sie daar, met dat mes na sijn gat

veteren,

1280 En of in de stad van Hoorn mijn ooren staan an de

kaak,

En of er mijn vaar gehangen is, is dat so groot'n saak? Daar hangt so menigen vroomen man, daar leit niet

an bedreven,

];r;ifij brocht hem, God-dank, nog selver niet om 't leven, Als sommige lui. Wat gaf je 'r wel om, waar gij 1286 Nog met rabraken en met verbranden vrij?

Iut:

Maar Trijntje, wat kal is dit; wat sou men doch so ' ' ï;" kijven?

1275 Wat hondert gundeltngen: Wat bliksem.

1274 't It hoog genoeg: 't is nu welletjes. — Enog: genoeg.

1276 Op de goede daden komt het aan.

1277 At 'l it: 't mag zijn zoo 't wil.

1278 Verbeteren: herstellen.

1280 Kaak : schandpaal. — Ik houd het ervoor, dat haar ooren zijn afgesneden en tot waarschuwend voorbeeld aan den paal zijn gespijkerd.

1282 Vroomen: rechtschapen.

1283 Hem : zich.

1285 Rabraken: radbraken.

1286 Wat kal: wat een praat.

De Spaansche Brabander 9

Sluiten