Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1330 Gij weet 't niet, hoe veel boogjes dat se 'sjaars wel

huurt,

En daar se alle Sondags warmis, kool, erreten en

boonen stuurt, En stokvis, en brij; och s'is zo goet arms, je 'n heb 't

je leven;

Dat se selfs een roggen-broot was, ik loof niet, of sij

souw er self weg geven: 't Is, 't is dat ik je niet seggen en kan, 't is te goethar-

tig'n wijf,

1335 Sij sou versepertjes heur hert wel duwen uit heur

lijf.

En geven 't an een aar. Stuurde se daar gisteren niet

so veel laken, Dat er Lobberich, Dibberich en Gerberich een rok of

souwen maken? •Sij haalden eens daags een gr oot lanneweb uit hét middelste bom.

Wat ging se doen? maar sij diefden 't, daar 't noot

was, rustig om.

Els:

1340 Ja, sulken ien ken ik er ook, ik moet er deugt of

spreken;

Och, hoe dikwijls het sij wel in mijn spint en tresoor

ekeken,

1330 Boogje,- kleine huisje». In de binnenkant van de stadsmuur waren bogen waar in tijd van nood de kanonnen werden gelet; van die bogen werden kleine huisje» gemaakt In de resten der oude stadsmuur te Maastricht is deze toestand nog goed te aen. Eenige jaren geleden zag ik daar dergelijke huisjes afbreken.

1331 Warmis: groente.

1332 Goet arms: vgl ons goedlachs.

^ — n lo°f nM of - Ik gnkoof niet anders dan dat. ■ 333 "erseperljes: warachies.

E?n"laa8' '■ «P «en keer. — Bom: vak in de kast.

1339 Rustig: dapper — Maar: wel. .,

1340 Ik moet net goede erkennen.

1341 Sphtt'. kast. — Tresoor: etenskast.

Sluiten