Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of er ook iet gebrak, of wat er was van noot, Daar kreeg ik nog flusjes een pot met botter en een

broot,

Met een slee met turf en een mangt met spaanders en - Vijfentwintig eeken houten, 1345 Met een kinnetje harings en met lustig en wel gesouten Aal en labberdaan, en se het mijn kijeren gnapjes

ekliet en eriet, En sij stuurt se in 't groot schooL 't is van aen leven

niet eschiet.

Robbeknol (lesende uit.)

; Uit is 't, siet daar blijf ik, buur-wijfje, siet daar bij

dat titteltje.

T r ij n:

Maar hoe rein is dit ook, komt mee vaar, leest m'n nog een capitteltje,

1350 Jesüs, Marye, maar kijeren, God segen ons, is dat

Gods woort? Ja wel Heer, ik word schier aars, ik heb 't mijn leven

niet eboort;

Ik ken niet een A voor een B, mijn ouwers lieten mij

noit lieren,

Hoe moi leest die knecht, hoe kennen 't de menschen

versieren!

Houw daar, mijn vaar, ay lieve, leest dan noch iens 1355 Een Euangelietje uit de schrift, je weet wel, dat 's nou

'"-"^llÜens.

1342. Gebrak: te kort kwam.

1343 Flusjes: daar net.

1344 Eeken: eiken.

1345 Kinnetje: vaatje. — Lustig: «levendig".

1346 Labberdaan: zouteviach. — Kijeren: kinderen.:?— fifcrWen-erlef: gekleed en gereed.

1347 Groot school: de stadsschool. 1349 Rein: mooi. — Vaar: vadertje.

1351 Ik word schier aars: ik ben ervan veraltereerd.

1353 Knecht: jongen. — Verstèren: verwinnen, bij mekaar krijgen.

1354 Houw daar: hei zegl

1355 Eoangeltetje: kapitteltje. — Dat is nou alliens: enfin.

Sluiten