Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Robbeknol: 1370 Ik bedank je, buur wijfjes, onse lieven Heer is bet

loon,

Die soo veel menschen spijsden met vijf garstenbroon. T r ij n:

Gaat been, mijn Engeltje, mijn snobbetje, oobl hij is

so soet,

Dat jou onse 'lieven Heer in den Hemel balen moet. Komt altoos an, al was 't een kaars in nacht; i dat

waren woorden,

1375 'Wat docht je, lutje, was 't anders of je een Propheet

hoorde?

Ay komt mee binnen, en praat wat, ik heb so moi n

vier.

Els:

• Wel an, ik koom je bij.

Iut:

Al waar ik doot, so bleef ik doch niet hier. Ierolimo, Robbeknol. Ierolimo:

Moór hoe vörialbel en sunderling da 't avontuurs beloop is,

En weet niemant van ouwiiên, goeliêns, of Amsterdam

te koop is?

1380 Ik wil 't betoölen niet op termijnen, maar met argent

kontant,

Puf, koopliêns, puf, mannekens, ik ben de grootste

van 't land;

1370 God loone het u.

1372 Snobbeltje: achatje.

1373 Moet: moge.

1374 Al Was 't een kaats tn de nacht: Al moesten we per avond er een kaars meer om verbranden.

1376 Vlet: vuur.

1377 Ik koom je bij: ik kom bij je binnen.

1379 Ouwllen: u lieden.

1380 Atgent contant: gereed geld.

1381 Paf: drukt minachting uit.

Sluiten