Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En waren de Stoöten niet geïmpescheert niet facieuse

söken,

Ik sood versoeken, de Haarlemmer-meer droog te

möken

Op mijne kosten, ik sood doen, och joö'k: och Jasus

joö Tc: ba 't Jan, 1385 oVHoHantsche bothuilen sien Sr. leroHmo voor een

- slechthoot an; Ja wel, kijkt eens, en wordy niet sot. Waar ik te

Brussel gebleven, De Grave van Egmont had mij zijn suster of zijn nicht

wel gegeven,

En nog paasen dese Ollantsche Moeiers van Amster-

. dam, Dat ik kik om hóór schoon ensicht uit Brabant kwam. 1390 Ba schaamt ou, gai kladdekens, en moókt daar of

geen mencie

Of 'k en doe ou van main leven geen honeur noch

reverencie,

En weeat dankboör aan Ierolimo, die hem so lo&g

verneert,

Dat hij uwe stad door de grandese van sijn presencie v i eert. Ke vuiltjens, ke ne ke ne geen lust tot houwen,

1395 Al mocht ik de jPrinces, de Konings dochter, trouwen.

Robbeknol: Gij hadt «1 groot geluk, had je nog een Beerstekers

wijf;

ifS ^'"AWneerl: verhinderd. — Facieuse: moeilijke. ,,

1383 Sood versoeken: zou trachten.

1384 /ook: ja ik. — Ba 't Jan: bij St. Jan?

Ioq botmuilen: Stommelingen. — Slechlhoot: uilskuiken.

1388 Paasen: meenen.

1389 Ensicht: gezicht.

1390 Klcddekens: smeerlapkes. Praat er niet van. 1392 Loog verneert: afdaalt.

9lmJae.!>a" ?*• de glorie van zijn tegenwoordigheid,

lao "e: niet: ~~ "ouwen'> l«»»wen.

1396 Beersteker: lediger van beerputten.

Sluiten