Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1545 Wat liep ik daar lijmen en dingen, van stal tot stal, Wat is alle dingen duur, ja wel, het is te bijster, Ik kon bij niemant beter raken, als bij de bruine

vrijster

ii Dat is een meit as 'n kruit; al is sij somtijts wat onbe-

leeft,

Sij aal niemant kwalijk toe spreken, die haar goe

woorden geeft; 1550 Sij het mijn daar soo veel saucijsjes en spek ewogen, Asse wij in acht dagen, meen ik, op eten mogen. Wel hoe nou? sie ik recht, so sie ik mijn Jonker in

de deur.

Ierolimo (uit). Bonsieurs, welkoom, bien venu monseur, monseur. Wat h*<le lakkerdings? ba jemy, wat's dit, een

kieken?

1555 Of ié 't hamele vlees? jasus! hoe soet da se rieken, Maar, mijn botterkulleken, wat hede bier van als; Inder waarheit Robbeknol, het is wel malsem en mals, Gebenedijt sij ons Heer, die ons helpt uit de trubelacie, Gaat, haalt een Minnebroer, dat hij ons spreek de

gracie,

1560 Met een benedijst van de moeier de heilige Kark. Wel wa fakseert my de lakker, gade so rouw te wark? Gai, groot hoot, gij souwt eerst ou Pater-noster lesen.

1545 Lijmen: zeuren. — Stal: stalletje.

1546 Bijster: erg.

1548 As'n kruit: kranig. 1553* Blen venu: welkom.

1554 Lakkerdings: voor lekkers.

1555 Hamele vlees: schapenvleesch.

1556 Botterkulleken: beste jongen. — Als: alles.

1557 Malsem: xnalsch.

1556 Gebenedijt: gezegend. — Trubelacie: moeilijkheid'.

1559 De hoogheids waan komt weer op; hij krijgt behoefte aan een soort huisprelaat (minnebroer). — Gracie en benedijst: gebeden bij het eten.

1561 Fakseert: kwelt. — Lakker: lummel.

1562 Groot hoot: verwaande vlegel. — Lesen: bidden.

Sluiten