Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Robbeknol: Wat baast heb ik, daar 'tegen mocht 't eten al op

wesen.

Een kort gebed, me Jonker, maakt een lange maaltijt. 1565 Ai siet, wat een hope goet dat hij in sijn lichaam smijt! Alsoo mijn vaar, mien jij dat hagjen nog op te klaren? So sel je, dat beloof ik je, op mijn schoenen niet

trararen.

O lyden! is dat smullen, hij eet sOo hongerig en soo

graag,

Trots al de schuite-voerders en de waag-dragers van

de waag.

1570 Schijt kooren-dragers en bier-dragers, dees eet as 'n

dijker,

Schijt Harmen Vijftien Pond, schijt Robben, hij is soo

hart as 'n spijker; Dat is 'n meuge-veul, dat is 'n vraat, s'n buik en voelt

geen gront.

Siet daar, niet een oogenblik is sijn hangt van sijn

mont;

Hoe droog wringt hij 't er deur, dat hij 't noch iens

vervarsten!

1575 Ganswongden, Baas, eet je darmen niet te barsten, Deink je niet, Jonker, de buik-lapper die is dood? Beset 't moitjes met een stuivers taruwen brood. Wat veur wijn of bier gelieft mijn Heer te drinken?

1563 Daartegen: tegen dien tijd.

1565 Smijt: gooit.

1566 Dat hagjen nog op te klaren: dat zaakje nog op te knappen.

1567 Zoo zal je mij niet belazeren.

1569 Trots al de schuite-voerders: tegen de eek. op.

1570 Schijt kooren-dragers: de korendragers zijn .er niets bij. — Dijker: polderjongen.

1571 Hij is soo hart as 'n spijker: Hij kan er tegen.

1572 Meuge-veul: slokop.

1564 Dat hü 't nog iens vervarsten: als hij er nog eens tusschen dronk.

1576 Je buik kan niet gerepareerd worden, vergeet dat niet.

1577 Beset 't moitjes etc: maak nu nog om heel de boel een muurtje van een stuivers t. br. R. zegt dit sarkastisch natuurlijk

Sluiten