Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ierolimo:

Gai suil mij, botmuil, met den blooten hoien schinken. Robbekn o 1: 1580 Trouwen, vrient, gij hebt er lustig wat in gepakt. Ierolimo:

Haalt mij een Hollander, die mij de vingers wa lakt. Moör segt, oprecht ebiecht, bede niet onder-wegen

gedronken?

Robbeknol: De toegift, Heerschop, die worde mij voor mijn halen

geschonken.

Ierolimo:

Nou schinkt mij de wijn! gij bottekroes, hoe sijde so

traag?

Robbeknol: 1585 Dat heb ije wel, Baas, van klein bier krijgt men luisen

in de maag;

. Een goe loog en Hecht er niet om, neen se trouwen. Ierolimo:

Nu lo&t ik de Goien haar Ambrosia en Nectar houwen, En nu trots ik de Koning, ja de Keiser met sijn hof, Met ons banquet, Robbert.

Robbeknol:

Gij hebt er jou diel wel of. Ierolimo:

1590 '1 Sa moeschaatje, geeft mij main gulde tande-stooker.

1579 Met den blooten hoien: blootshoofds. 1560 Lustig flink.

1582 Maar zeg nou eens eerlijk, heb je etc.

1583 De toegift: wat hij toe gekregen heeft.

1584 Bottekroes: drinkebroer.

1585 Klein bier: dun bier, van mindere soort.

1586 Een stevige teug is niet mis, neen waarachtig niet.

1587 Goien: goden.

1588 Trots: trotseer.

1590 'e Sa moeschaatje: alla, jongens.

Sluiten