Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1670 Als ik het so alchemisten met de lapes Philosophorum!

was reine winste, Altoos kwiksilver, dat 's ongetwijfelt 'wan het minste. As ik mijn hair 'laat scheeren, ik gaar de lokken ter-

stongt,

Want Mopsus de Ballemaker geeft m'n een schelling

voor 'tpongt.

De luisige barbiers tj onges die vegen dat voor prullen uit,

1675 Maar wat doe ik? ik lees 't en soek 't in de vulleschuit, (tin vijnt ik daar snipperingen van spaans vet of droog

leer,

. Dat verkoop ik de schoenlappers op 't alderduurste

weer.

Ik sie nieuwers een hoopje, of ik sel 't kuurioost deur-

xk>l&tè soeken, Vijnd ik dan ouwe feilen, etterige of bloedige doeken, 1680 Die wasch ik en bliek ik op de Cingel, op mijn benier, En ik vent se an Ysbrangt, die maakt er van fijn en

grof papier.

Wacht ie veur mijn: ik weet, en ik wil de kost verdienen.

O doen ik dus groot was, doe socht ik karsen en

krieke stienen, Al waren se somtijts wat misselijk, dat en was geen

noot,

1670 Alchememisten: bewerkte als een alchemist. — Lapes philosophorum: de steen der wijzen. ,■

1671 Altoos: althans. Van eet minste (dat er van te maken is nl.).

1672 Gaar: verzamel.

1674 Luisige: lamme.

1675 Lees: verzamel. — Vulleschuit: vuilnisschuit,

1676 Snipperingen: afval, vet-leer. Sj

1678 Nieuaers: nergers. — Kuurioost: op het nauwkeurigst, -1 I

1679 Feilen: dweilen.

1680 Benier: manier.

1683 Dus: zoo. Hij wijst hier met de hand boven de grond.

1684 Misselijk: moeilijk te vinden.

Sluiten