Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1700 Ik sel 't moitjes garen in huis, in een hiel half vat, En of 't wat goor stinkt, ik ruik niet, wat schaat dat? Dat geit, dat geit, dat is de droes. As me wijf en ik

wat eten,

So meete wij malkaar dé ïoogjes toe, en so telle wij

de beeten;

En soo ik er bij geval ien beetje iens ontheet, 1705 Dan snijt se op een kerf-stok, op dat se 't toch niet

vergeet;

Dat mig'ik sanderdaags, sij weet maat te gebruiken. De matigheit is een deugt; al hebben wij kijnt noch

kuiken,

Wij 'verslempen 't daarom niet, noch wij hebben 't noit

verpracht,

Ik sorg voor mijn vrienden, en sij veur heur geslacht. 1710 Wel is waar, al heb ik wel drie tonne gouts an renten

van erven,

So wil ik liever honger Jijen, als dat ik arm sou sterven. Gij weet niet, wat 'n lof dat er de werelt of te praten

het,

Als er een man sterft, die zijn volkje wat achter

elaten het.

Al heb ik wel hondert huisen in stee, en wel duisent

morgen

1715 Goet wei- en sailant, ik moet nog om 't afterste

sorgen:

Mijn wooningen hebben met de krijg lang leeg estaan.

1703 Toogjes: hapjes.

1704 Als ik buiten de gewone maaltijd eens wat neem.

1705 Kerfstok: een stok waarin kerven gezet werden om boek Ie houden in herbergen en winkels.

1708 Verbracht: aan weeldezaken opgemaakt.

1709 Vrienden: bloedverwanten. — Geslacht: familie. ■ 710 Erten: stukken grond.

1714 Morgen: maat voor grondbezit

1715 '* Afterste: de dood.

Sluiten