Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geeraart:

Maar Jan die slacht mijn, hij is so droog, so droog as

sagelis.

Byateris, hij was ie bijster nu in sijn jonge tijd, Maar nou is bij out en doof. Wat had die man een

strijd

1730 Met Lijsbet Lam inerts, sijn snaar, en Jacob Prol, sijn

swager.

Gij sout hum niet kennen, so siet hij er uit. Byateris:

Is hij dan so mager? Hij was in sijn jeugt nochtans hiel ongnaartige vet. Geeraart:

Dat loof ik wel, sou een mensch niet afgaan, die sulk

'n hertsier set? Al woont hij te Naar den, hij is daarom niet een haar te

geruster,

1735 't Is trouwen gien gevongen maagschop: het is sijn

eigen sus ter,

En 't aar en kan hij niet loochenen: het is sijn vleisse-

lijke breur.

Wat is 't, ilieve moer? sij sin d'r met bei heur bienen

aldeur.

Heur vaars goetje dat is er tot een prik toe ebleven, Dan trouwen, het was er al lang genog van te veuren

eschreven.

1727 Sagelis: zaagsel.

1728 Bijsier na: bijzonder jolig.

1730 Snaar: schoonzuster. — Zwager: schoonbroer.

1732 Ongnaartige: leelijk, bijzonder. '

1733 Loof: geloof. — Afgaan: afnemen.

1734 Nlel een hak: geen sikkepit.

1735 Gevongen: gevonden.

1736 Brem: broer.

1737 Zij hebben de heele boel opgemaakt.

1738 Het goed van haar vader is er tot den laatsten cent bij ingeschoten.

1739 Maar het was hun voorspeld.

Sluiten