Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1740 Want hier eseid, onrechtveerdig goet waarachtig dat

en rijkt niet,

Ten komt niet over 't derde lirt; als ik het deink, 't en

lijkt niet

Hoe pleegt hij uit te suipen de kooplui jonges en

kassiers:

Schreef hij niet voor een gladde kaart een hiele vane

hiers

Of een pijntje wijns? o, dat is' woeker, wat sou men

so veel winnen I 1745 Als me 'r smorgens wat ontbeet, 't was straks een pont

van binnen;

Rekende hij niet een kanne wijns brulle voor een (•W^ip kroon? Ik seg er niet tegen, sijn huisvrou en s'n meit se waren

schoon,

Maar wat was 't, of mer garen uit vrientschap eens

hossebosten,

'T en mocht ten minsten niet minder als een rosenobel

kosten,

1750 Met een paar flouweelen mouwen, met een klet en

een flep.

Neen, Byateris, had ik soo gedaan, ik had niet dat ik

nou wel heb.

1740 Rijkt : maakt rijk.

1741 Lit: geslacht. Als ik het naga; 't is schandelijk* ■•

1742 Uitauipen: uitzuigen, afzetten.

1743 Rekende hij niet voor een nieuw spel kaarten den prijs van 8 pinten bier.

1745 Als men er 's morgens wat gebruikte, daar was al gauw een pont aan verdiend. Pont = 6 gulden.

1746 Wijn brulle: warme wijn, vin brülé.

1748 Afer; men er. — Hosaebosten: „stoeide".

1749 Rosenobel: ƒ 6.80.

1750 Klet: kort vrouwen jakje, van voren open. — Flep: driekante hoofddoek.

Sluiten