Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geeraart: Was 't meugelijk, ik «prak hem wel en woort Robbeknol: 1815 Ja weL fijn-man, 't en mag hem niet beuren rechte-

voort

Ierolimo {van binnen). Robknol, segt, dat ik ontfang mijn indigo en konsenilje.

Geeraart: Ik moet hem spreeken, knecht.

Robbeknol: Jij meugt morgen weer komen, wil je, En wil je niet, so blijft er van daan, so lang tot men

jou haalt

Byateris:

Wel, dat is moi bescheit, daar mee ben ik niet betaalt. Robbeknol: 1820 Waar van, koppelaarster? hoe na van je man de

«leper?

Ierolimo (van binnen). Segt, datte kik besig ben met main genoffel-nagelen en Oost-Jndische peper. Geeraart:

Roept hem, jongenl fluks ook wat brabbelt mij den

guit

Robbeknol: Bestevaar, ij ij vaart voor morgen niet, al roep jij wat

luit

Gij ouwe sag gelaar.

Byateris:

Hoe spreek je soo teugen een man, die en baart het?

1814 Ik sprak hem wel een woort: ik zou hem graag even spreken.

1815 Hetschikthemnietophetoogenblik.— Fijn-man: goede vriend.

1816 Konsenilje: cochenille.

1820 Waarvoor (zou je betaald moeten worden)? Misschien omdat je man een mankepoot is?

1821 Genoffel-nagelen: kruidnagelen.

1823 Jij taart toer morgen niet: haast je maar niet.

1824 Saggelaar: sukkelaar.

Sluiten