Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1890 Ik had er lust in, ik deed't werentig met een goet

behagen;

Hoe plech ik te singen: Buiten binnen palen geheit, met blik beslagen,

Nieuwe stronkt vret in, wet in: ken je nou wel kruie

volle wagens op?

Ah ik het lensje uittrok, daar lag de kroo, dan wakker met de schop.

Els:

Neen, as hij wat doen wiL hij sel hier t'Amsterdam

wel voort raken: 1895 Komt hij, bij de Stads metselaar, die sel hem om ien haverstroo opperknecht maken: Hij helpt so mennigen krom-tong van Luycker-walen

en van .goet;

't Is beter, als men kan, dat men 't immers an Hollanders doet.

T r ij n:

Had je kennis an de Overlui van de visschers, dat jij

die gingt vragen Om ien penningjen op je borst, so mocht je moitjens

vis dragen,

1900 Dat brengt 's jaars al hiel veul op, so VeuL ik weet

niet hoe. (Trijn binnen.) (Geeraart, Byateris en Iut uit.) Geeraart:

Al zijn se rijk, ik betrouw de Brabanders niet veul toe:

1890 Wctenlig: waarachtig.

üoi PJacht ^ ^"«en gezongen, dat duisterie.

loVJ Lensje: de pen van de as. — Kroo: lading. 1895 Om een haversbo: direct. — Opperknecht: hier wel opperman.

t Kan ook meesterknecht beteekenen. !«qq o70""""8' Tieem<lelin8- — En non goet: en van zulk soort. IOW t-enmngien: een metalen plaatje, dat liet zien, dat men verlof had visch te dragen.

Sluiten