Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geeraart (uit). 1950 Daar gaat hij even uit, 't is as 'n ding wil wesen,

iHoe pocht hij met dat schrift, daar tijt hij juist au 't

lesen.

'Efaeml 't sist! ehem, fuw! poep! ik roep dat 't bromt, Bhem noch iens! 't schijnt, dat de man weinig te beurs

komt,

Want als men daar iens proest, soo kijkt elk strak

voor aar om.

1955 Jongentjen hou! of hou je man, roept Domine lohan-

nem Notarum, Ay elenbaas, fluit soo lang, soo lang tot dat hij staat

stil.

Ian;

'Miester Jan, daar is ien man, die u wat spreken wil. Notaris:

Wel, ouwe Patriot, wel, Patroon, bon jours; wat is

jou seggen?

Geeraart:

Ik sou daar garen een certificacie of een attestacie

beleggen:

1960 Hoe hiet 't nou ook? 't is men vergeten, laat sien, hoe

was 't?

Notaris:

Fijnman, ik moet gaan schrijven een testement, hout

mijn niet vast: Daar leit een man op sijn dood-bed, en wacht al schrijvende de Notaris.

1950 Even: juist. Je moet het maar treffen.

1951 Pocht: maakt hij branie. — Tijt: trekt, begint.

1952 Poep: 't geeft niks (zijn roepen nl.). — Bromt: klinkt. 1954 Proest: hemt. Dan kijken ze terstond allemaal om. 1956 Elenbaas: goede vriend.

1958 Ouwe patriot: oud-Amsterdamsen burger. — Patroon: baas.

1959 G. noemt maar op goed geluk een paar rechtskundige termen. 1961 Fijnman: mijn waarde heer.

Sluiten